De ecologische schade die wordt aangericht is afhankelijk van het type ecosysteem dat verloren gaat en de hersteltijd. In de IJgeul bevindt zich een relatief jong ecosysteem van een type dat in grote delen van de Noordzee voorkomt. Typische soorten voor dit gebied zijn het Nonnetje (Macoma balthica) en de Halfgeknotte strandschelp (Spisula subtruncata), alsook een verwant van de Zandzager (Nephtys cirrosa). Doordat de verspreiding van de meeste voorkomende soorten (maar niet van alle) via vrij zwevende larven of eieren gaat is een relatief snelle invasie van verstoorde gebieden mogelijk. Na verloop van een aantal jaren zal het gebied weer zodanig hersteld zijn dat het dezelfde biomassa en vrijwel dezelfde soorten huisvest als voor de ingreep.
Uitgaande van een biomassa van vermoedelijk minder dan 14 gram per
m2 (asvrij drooggewicht, AFDW) (Holtman et al., 1996) leidt de
zandwinning tot een tijdelijk verlies aan biomassa van maximaal 2.800 ton.
2.7.2 Permanent verlies zeebodem-ecotopen
De oppervlakte van het eiland op het niveau van de zeebodem is ongeveer 2.700 ha.
Door de aanleg van het eiland wordt deze 2.700 hectare aan zandige
Noordzeebodem permanent begraven. Met een gemiddelde biomassa van 15 gram AFDW
per m2 betekent dit dat circa 400 ton biomassa verloren gaat. Het
gaat om een vergelijkbaar milieu en eenzelfde levensgemeenschap als op de
zandwinlocaties (zie paragraaf 2.7.1).
2.7.3 Nieuwe ecotopen van hard substraat
De aanleg van een eiland met hard substraat leidt tot het ontstaan van voor de
Noordzee tamelijk nieuwe milieus. Hard substraat komt tot nu toe slechts
sporadisch voor bij havendammen en harde zeeweringen, vooral in Zeeland. Het
gaat daarbij meestal om situaties op geringe diepte, waarbij stroming en golven
een grote dynamiek veroorzaken. Op grotere diepte komt hard substraat in de
Noordzee voor in de vorm van scheepswrakken.
In het algemeen is de biomassa op hard substraat vele malen groter dan op een zandige bodem. Ook de soortenrijkdom is op hard substraat veel groter dan op zacht substraat. Bij experimenten voor de Nederlandse kust (Leewis et al., 1997) werden tot 22 vastzittende soorten en naar schatting tweemaal zoveel vrijzwemmende soorten waargenomen. In het Kanaal zijn onder vergelijkbare omstandigheden ruim 150 soorten aangetroffen. Het gaat vooral om mosselen, zeenaaktslakken, zeesterren, zee-egels, zakpijpen, zeeanemonen, zeeanjelieren, zeenaalden, krabben, kreeften en vissoorten als steenbolk en paling. Door de hogere biomassa is de het voedselaanbod voor vis een factor 5 tot 10 groter dan die van zandig substraat. Dit vormt de achtergrond voor het elders in de wereld aanleggen van kunstriffen.
Op grond van experimenteel onderzoek aan kunstriffen voor de Nederlandse kust (Leewis et al., 1997) en ervaringen elders zijn de gevolgen van de aanleg van het eiland berekend:
Animaties: Het leven onder water
|
|
|
De locaties voor een eiland bevinden zich in een gebied waar zeevogels foerageren en op het water rusten. Door aanleg van een eiland gaat slechts een klein deel van dit foerageergebied verloren. Door de inrichting van het eiland met lage en middelhoge struwelen zullen zich vooral kleine vogelsoorten (zangvogels) permanent op het eiland kunnen vestigen. Hier is eveneens sprake van een te verwaarlozen effect. Resteert het risico van verlies van vogellevens door aanvaringen met vliegtuigen. De aantallen aanvaringen die zijn te voorzien zijn marginaal ten opzichte van natuurlijke doodsoorzaken met als gevolg dat geen effect is te verwachten op de populatiegrootte van het merendeel van de soorten.
Op trekvogels die over de Noordzee trekken, waaronder lijsterachtigen (Zanglijster, Kramsvogel, Koperwiek) en kleine zangvogels (vinken, Goudhaantjes, e.d.), kan een eiland een grote aantrekkingskracht uitoefenen, vooral door de sterke verlichting van het vliegveld. De vogels interpreteren de landingslichten als voor hen bedoeld. Vooral bij slechte weersomstandigheden zullen de vogels de eerste de beste gelegenheid aangrijpen om (tijdelijk) neer te strijken: een "fall" van soms tienduizenden exemplaren. De voorgestelde begroeiing met struweel biedt voor zangvogels een geschikte plek om op verhaal te komen, vooral indien dit struweel rijk is aan bessen en insecten. Dat geldt niet voor soorten als steltlopers die juist open ruimte prefereren.